Onder de radar in de vijfhoek

© Foto door: Pixabay

In De Vijfhoek is het aanbod groot. Er zijn ontmoetingsplekken, activiteiten en een verbindingscentrum waar bewoners welkom zijn voor een praatje of een kop koffie. Toch komen lang niet alle bewoners daar terecht. Sommige mensen blijven structureel weg. Niet omdat ze geen behoefte hebben aan contact, maar omdat de weg ernaartoe te groot is.

Dimitri de Klerk, aanjager van het verbindingscentrum in de wijk, ziet het dagelijks. “De voorzieningen in Deventer zijn over het algemeen goed geregeld,” zegt hij. “Maar niet iedereen komt daar vanzelf. Dat zegt niets over hun motivatie, maar alles over hoe groot die drempel soms is.”

‘Piepkleine muisjes’

Het zijn vaak dezelfde gezichten die binnenlopen. De mensen die niet komen, blijven grotendeels onzichtbaar. Tegelijk weet De Klerk dat er in de wijk veel meer mensen wonen die wel behoefte hebben aan contact, maar die zichzelf niet snel laten zien. Volgens de Klerk gaat het om bewoners met een lage sociaaleconomische status (SES). “Dat zijn bewoners die al veel op hun bord hebben. Financiële zorgen, gezondheid, wantrouwen, of simpelweg te veel meegemaakt. Dan is ergens binnenlopen en zeggen ‘ik heb hulp nodig’ een enorme stap.”

Voor deze groep is de drempel niet alleen praktisch, maar vooral emotioneel. Schaamte speelt een grote rol. “Als je je lange tijd niet gezien of gehoord voelt, ga je jezelf beschermen,” vertelt De Klerk. “Mensen trekken zich terug, worden voorzichtig. Niet omdat ze niet willen, maar omdat ze bang zijn om opnieuw teleurgesteld te worden.” Hij omschrijft hen als mensen die zich zo klein mogelijk maken. “Die piepkleine muisjes komen pas naar buiten als de kat even niet oplet.”

Wie zijn die mensen dan?

Volgens maatschappelijk werker Karin Straatman van het Voor Elkaar-team is er geen sprake van één afgebakende groep die niet meedoet. “Het is niet zo dat er één groep is die we nooit zien,” zegt ze. “Maar voor veel mensen is de drempel gewoon heel hoog.”

Het gaat om verschillende bewoners: jongeren die zich niet thuis voelen bij bestaande activiteiten, mensen met taalproblemen, bewoners met weinig geld, of mensen met fysieke of mentale klachten. Ook tijdgebrek of zorgtaken kunnen meespelen.
“Sommige mensen hebben zó veel aan hun hoofd, dat deelnemen aan iets in de wijk simpelweg te veel is.”

De echte vraag komt vaak later

Wat opvalt, is dat deze bewoners zich zelden melden met een vraag over sociale contacten of eenzaamheid. “Mensen komen vaak met een andere vraag binnen,” legt Straatman uit. “Via de huisarts bijvoorbeeld, of met geldproblemen. En dan blijkt dat ze zich eigenlijk heel alleen voelen.” De behoefte aan verbinding is er wel, maar wordt niet zo benoemd.  “Ze weten vaak heel goed wat ze niet willen,” zegt Straatman. “Maar het kost tijd voordat iemand durft te zeggen wat hij wél nodig heeft.”

Dat maakt het voor professionals lastig om deze groep te bereiken via bestaande voorzieningen, die vaak uitgaan van zelf initiatief nemen. “Het uitgangspunt is altijd de vraag van de inwoner,” zegt Straatman, “maar dat maakt de groep die niet durft te vragen ook meteen lastig te bereiken.”

Sociale cohesie begint klein

Toch laat de praktijk zien dat het kán. Straatman vertelt over een groep jonge moeders in de wijk met chronische ziekten zoals MS of reuma. Deze vrouwen voelden zich vaak onbegrepen door hun eigen omgeving. Door gericht te zoeken in het netwerk van de huisarts en de mantelzorgondersteuning, werden deze vrouwen samengebracht.

Wat begon met een eenvoudige vraag om lotgenotencontact, groeide uit tot een vaste groep van zeven vrouwen die maandelijks bij elkaar komen. “Ondertussen worden dat ook bijna vriendschappen,” vertelt Straatman. Het laat zien dat sociale cohesie niet altijd groots hoeft te zijn: het begint vaak bij één of twee mensen met een gedeelde ervaring. “Van daaruit kan iets groeien.” Maar dat vraagt vaak om begeleiding. “Soms heeft iemand gewoon een warme overdracht nodig,” legt ze uit. “Dat je samen gaat, of dat mensen daar weten wie er komt.” de Klerk herkent dat. “Je moet een lange adem hebben,” zegt hij. “Mensen moeten eerst voelen dat het veilig is. Dat ze niet meteen iets hoeven.”

Wie door De Vijfhoek loopt, ziet vooral de bewoners die wél meedoen. De groep die dat niet doet, blijft buiten beeld. “Het probleem is niet dat mensen niet willen,” zegt de Klerk. “Het probleem is dat we soms te veel verwachten van de eerste stap.” Straatman vat het samen: “Als je wilt dat deze mensen meedoen, moet je niet wachten tot ze zelf aankloppen.”