Een kelder die al jarenlang niet meer ademt

Negen uur ’s avonds. Martijn zet de muziek een tikje harder in de kroeg in Ommen. Niet te hard, nog niet. Eerst kijkt hij wie er binnen is. Vijfentwintig man, telt hij. Mannen met dartpijlen in de hand, bierglazen op de rand van de tafel en een hoop gejoel. Bulls-Eye. Een hoop gejuich volgt. Het klinkt als een goedlopend café, denkt hij. Zo ziet het er van buiten vast ook uit. Beweging achter het glas, warm licht, leven in de brouwerij.

Maar Martijn weet beter.

Hij staat stil achter de bar. Zijn blik glijdt door de ruimte. Dit is niet wat het was. Niet wat het moet zijn. En al helemaal niet wat hij voor ogen heeft, toen hij begon. Trots voelt hij zich wel. Een beetje dan. De darters zijn er voor hem. De grootste lol hebben ze bij hem. In zijn café.

Hij loopt naar de trap en opent de deur naar beneden. Zijn kelder. Zijn lievelingsplek.

De lucht komt hem tegemoet: muf, zwaar, alsof de tijd hier is blijven hangen. Houten barkrukken staan schots en scheef tegen de bar aangeschoven en dartborden hangen aan de muur met de pijlen er nog in. Martijn ziet het meteen voor zich. De jaren negentig. Knipperende lampen, rook die kijken tijdens het dansen haast onmogelijk maakte. Een dansvloer vol zwetende lichamen tot in de vroege uurtjes. Zo’n disco waar je ouders het nog over hebben, als ze zich opnieuw jong voelen.

Maar de nostalgie doet pijn.

Dit is de kelder waar een hoop gebeurde wat het daglicht niet verdragen kan. Jarenlang. Drugs kwam onder de bar vandaan en wilde verhalen gingen rond in Ommen. Martijn zucht. Het imago is haast niet van af te komen. Wat hij ook doet.

Hij heeft het geprobeerd. Reclame inkopen. Dure deejays boeken. Trouwerijen. Duizenden euro’s pompt hij erin. Soms werkte het. De kelder stond dan bomvol en iedereen danste. Dan voelt hij het weer. De plek, zoals het ooit was.

Een kleine glimlach onderdrukken lukt niet, terugdenkend aan het moment. Een bekende deejay. Een bomvolle kelder. Muziek zo hard dat je de melodie haast niet meer hoort door de bas. De bonk die door je hele borstkas voelbaar is. En de muren trillend van de snoeiharde muziek. Misschien wel te hard. Alsof het gebouw meedeint met de beat. Of zoals vroeger: precies goed.

Maar dit soort avonden kosten geld. Meer dan het oplevert. Don’t stop believing klinkt door het café. Naar boven, denkt Martijn. Hij ziet mensen lachen, drinken, darten en rustig praten. Dartavonden. Dit werkt wel.

‘Koffie?’ roept hij met een scherpe en luide stem door de zaak, alsof hij op de markt staat. Meerdere handen gaan omhoog. Tien stuks. Hij knipoogt. De avond is nog jong.

Als hij een biertje tapt, schiet plotseling een oude angst door hem heen. Controles. En forse boetes. Een hoop gedoe. ‘Je bent toch niet van de alcoholcontrole, hè?’ Op zoek naar bevestiging rolt hij zijn ogen en glimlacht hij. Typisch Martijn. Altijd op scherp. Met een reden.

‘Neem de media’, weet hij. Zijn lichaam buigt zich voorover. ‘Iedere kroegeigenaar heeft weleens in de krant gestaan. Ik nooit. Ik snap dat niet.’ Zelfbewust verbitterd staart hij voor zich uit. Dan schiet iets te binnen. Zijn sombere gezicht, neemt een andere vorm aan. Blijer.

De studenten van Eerde. Hij ziet ze plots weer voor zich. Jong, van over de hele wereld, en ontzettend onbevangen. Los gingen ze in zijn kelder de hele nacht. Als een boer met kiespijn lachend: ,,Wat een feest.”

Even is het stil.

Herinneringen komen soms harder binnen dan muziek. Deze avonden zijn er namelijk niet meer. Verleden tijd. Dat is het allang. Stof blijft opzamelen in de kelder. Ommen kiest niet voor deze disco. Het kiest voor wat het kent. Het is de naastgelegen kroeg, waar het ’s avonds altijd wél stampvol is. En Martijn. Die heeft een normale baan. Niet zijn caféwerk als hoofdbaan zoals voorgesteld. Nee, het is een baan in loondienst.

De klok tikt elf uur.  Langzaam verandert de sfeer. Mensen trekken hun jassen aan, schuiven hun stoel aan en nemen afscheid bij de bar. Darters vertrekken een voor een. De een met neergebogen hoofd en een knikje na het verlies. De ander met een zichtbare lach op het gezicht na de winst te hebben binnengesleept.

Martijn staat nog achter de bar. Hij glimlacht. De mensen hebben lol gehad vanavond in zijn café. Nee, het is geen disco zoals in de jaren 80. Maar het was zeker geen slechte avond.

Frisse lucht komt tegemoet als hij het café verlaat. De plek waar hij zoveel tijd doorbrengt. Piep, piep, piep. Driemaal. Het alarm staat er weer op. Het café is officieel gesloten en het licht uit.

Anders is dat in de naastgelegen kroeg. Weliswaar is daar geen kelder, maar het staat nog vol met mensen. Een hoop herrie is buiten op straat te horen. Daar ademt het. Zoals het bij Martijn ooit deed. Zoals het hoort. Zoals vroeger. Zonder zicht door alle rook, maar met voldoende zuurstof voor een frisse energie.