De koers van een vogel
‘Opa Harderwijk’ wappert nog een paar keer met zijn vleugels en landt dan op het vliegtuig van staal, gelegen aan de rand van het Veluwemeer grenzen aan Harderwijk. Zijn kleinkind neemt plaats naast hem en zucht diep. ‘’Opa,’’ begint kleine meeuw, zijn oranje snavel tikt aan opa’s vleugel. ‘’Ik heb honger.’’ De grotere zilvermeeuw kijkt op. ‘’Geen patat kunnen vinden bij het Dolfinarium?’’ vraagt hij terwijl hij strak voor zich uitkijkt. De warme zonnestralen verblinden hem, maar hij ziet de twee-benen die voorbij wandelen. Een kleine twee-been, niet ouder dan negen, ziet de twee zilvermeeuwen zitten en haalt haar iPhone 15 uit haar zak om een foto te maken. Opa en kleinkind draaien zich meteen om, keren hun kont naar het meisje. ‘’Nee,’’ antwoord de kleine meeuw. ‘’Er waren weer geen bezoekers.’’ Opa knikt somber. ‘’Laten we naar de boulevard gaan, misschien valt daar wel wat te pikken.’’
Kleine meeuw overdrijft nog wel eens, want er zijn wel bezoekers bij het Dolfinarium. Maar ook Opa Harderwijk weet dat er wel een kern van waarheid in zijn geklaag zit. Er zijn fors minder bezoekers bij het Dolfinarium vergeleken met vroeger. Of het komt door de boze twee-benen die wel eens voor het park staan met hun spandoeken en luidsprekers, of door de vernieuwde boulevard die een trekpleister voor toeristen vormt? Opa heeft geen idee. Maar op een regenachtige novemberdag waaide een krant tegen opa’s favoriete lantaarnpaal waarop stond dat het Dolfinarium ezoekersaantallen al jaren niet publiceert, maar dat de parkeercijfers drastisch afnemen. Het geeft opa een onbehaaglijk gevoel. Zou het Dolfinarium dan echt een keer ophouden? Hij is erg ambivalent over dit onderwerp; aan de ene kant vindt hij zijn dolfijnen en walrus vriendjes zielig, maar aan de andere kant is het Dolfinarium een symbool van zijn vrijheid.
‘’Opa Harderwijk,” klaagt kleine meeuw. Zijn vleugels wapperen ongeduldig. ‘’Ik zei dat ik honger heb!’’ roept kleinkind driftig. Opa knikt naar zijn kleinkind en stijgt op. De wind zit mee en binnen een paar minuten komt de boulevard al in zicht. Als opa een koptelefoon kon dragen, had hij die nu opgezet. Klanken van de nieuwste popmuziek galmen door de lucht; de trillingen zorgen ervoor dat zijn vleugels harder wapperen dan normaal. Maar kleine meeuw trekt zich er niks van aan. Sierlijk laat hij zichzelf landen bij een lange tafel vol met twee-benen. De doordringende, ziltige geur van vis penetreert opa’s reuk. ‘Fish and chips’ noemen de twee-benen het tegenwoordig. Van vis wordt opa nog ongelukkig, maar de zoutige patat is welkom.
‘’Hey!’’ een zware stem klinkt. Opa draait zich om en deinst meteen achteruit. Het is de zilvermeeuw God; de leider van de oude visserij. Onbewust voelt opa aan zijn litteken; een boze, rode lijn op zijn borst. Hij was nog zo jong. Net zo oud als zijn kleinkind nu. Hij was komen aanvliegen vanuit de Achterhoek naar Harderwijk. Het zou zijn nieuwe thuis worden. Hij vloog naar de jachthaven die dag, zin in een visje. God was daar met zijn clan. Opa was een nieuweling, geen echte Harderwijker. Vroeger waren er minder meeuwen in Harderwijk. Misschien vijfduizend, relatief weinig vergeleken met de vijftigduizend van nu. Nieuwelingen werden nog niet zo snel geaccepteerd. Het litteken van die dag is het bewijs. Maar nu stond de God van de visserij weer voor hem en… Wat was hij iel? Opa herinnert hem als een forse meeuw; groot en dik. Maar deze meeuw was tenger en klein. ‘’Zilvermeeuw God?’’ antwoordt opa terwijl hij zijn hoofd draait.
‘’Je mag mij Tony noemen,’’ antwoordt de God, Tony. Hij kijkt strak voor zich uit. ‘’Er was weer slecht nieuws over het Dolfinarium in de krant. Ik denk dat het einde nadert.’’ Opa laat de woorden even bezinken en kijkt dan op. ‘’Tsk,’’ snauwt hij. ‘’Vind jij niet erg zeker.’’ De komst van het Dolfinarium kwam tegelijk met het einde van de visserij zoals ze die vroeger hadden. Opa had eindelijk een bron van voedsel door het Dolfinarium. Tony verdween na de komst van het Dolfinarium. Opa had nooit meer gedacht aan Tony en zijn Hell’s Seagull’s bende. Waar haalde hij nu zijn eten vandaan?
Tony schuifelde wat met zijn poten. ‘’’K moest denken aan jou,’’ mompelt Tony. ‘’’K weet hoe het is.’’ Opa zegt niks, wacht af tot Tony verder praat. ‘’Harderwiek was de visserij, weet je wel? Toen dat verdomde Dolfinarium kwam, veranderde de hele identiteit. Sindsdien heb ik mij nooit meer Harderwieks gevoeld.’’ Opa kijkt nog eens naar Tony, hoe smal hij is. Een intens gevoel van medelijden overvalt opa. ‘’Heb jij nu ook zeker,’’ piept Tony.
Hij heeft gelijk, die God van de visserij. Opa voelde zich verloren de afgelopen tijd. Harderwijk veranderd, opa wordt ouder. Maar kleine meeuw, die is nog jong. Hij is patat aan het pikken van de twee-benen. Sommige twee-benen proberen hem van het terras te sturen maar kleinkind houdt vol. Dat meisje met de iPhone zit aan een tafel, schommelend met haar benen. Haar blikt valt op kleinkind en haar ogen beginnen te glinsteren. Wanneer haar ouders niet kijken, laat ze een garnaal op de grond vallen. Kleinkind hopt er heen, tevreden. Opa lacht en Tony volgt zijn blik.
‘’Weet je, Tony?’’ Opa vliegt naar hem toe. ‘’We moeten het verleden achter ons laten. Meegaan op deze nieuwe koers.’’ Opa knikt naar het volle terras, zonnig en luid met het gekletst van tevreden twee-benen. ‘’Dit is onze nieuwe identiteit nu. Harderwijk; niet van de visserij, niet van het Dolfinarium, maar Harderwijk van de boulevard.’’

Recente reacties