De zoektocht naar verbondenheid
Half zeven. Ik adem moeilijk. De ruimte staat blank van de rook. Ik probeer op de klok te kijken hoe laat het is. Kijkend naar de wallen van mijn maker weet ik genoeg. Ik heb al veel verhalen over deze plek gehoord. Bruin, gezellig, warm en voortdurende gesprekken. Ik hoor nu alleen nog niks, behalve het gedraai en gepiep van machines. Naast me liggen croissantjes en half volkoren broden, omringd door dezelfde geur van vers gebakken deeg. Er vallen een aantal sesampitjes van mij af wanneer een broodoven met een harde klap wordt dichtgesmeten. De trilling voelbaar door mijn hele kruimstructuur. Als brood is het belangrijk om authentiek te blijven. Met genoeg pitjes moet dat lukken.
Zeven uur. Dit kan wel eens mijn dag worden. Eindelijk ben ik aan de beurt. Ik was altijd al benieuwd hoe het zou zijn. Terwijl ik een plastic jas aangetrokken krijg, stijgt mijn temperatuur. Het is nu nog stil, maar binnenkort zal het helemaal vol lopen met mensen. Met het gekletter van vier metalen wielen die een groot driehoekig bord dragen, begint de dag, mijn dag.
De verhalen kloppen. Het is hier ook gezellig. Intiem met een bruin interieur, samengaand met een geur van vers gebakken brood. Het ritsende geluid van croissantjes die de bakplaat afglijden, overheersen de stem van de klagende bakker. Hij vertelt ons altijd dat we verkocht moeten worden. Ik laat mij niet afschrikken door de recente verhalen. Het belletje dat bovenaan de deur hangt, schijnt steeds minder te rinkelen. Steeds meer stellen teleur en belanden op plekken waar niemand ze ooit nog terug ziet. Maar ik niet. Vandaag zal ik wel slagen. Wij zijn een belangrijk onderdeel van het sociale contact, de brug tussen gesprekken. Ik zal mijn doel bereiken.
Negen uur. De deurbel rinkelt maar enkele keren. Niet erg. Er zijn nog genoeg momenten vandaag waarop het kan gebeuren. Ik kijk om me heen. Behalve de bruine muren, met enkele schilderijen van de familie Nollen met wat jaartallen, is er nog weinig veranderd ten opzichte van vanochtend. Dan hoor ik het belletje. Een oudere vrouw met een rollator loopt of mij af en inspecteert mijn rondingen. Ik haal opgelucht adem. Maar na een paar seconden, voel ik dezelfde koude stelling onder mij. Ik ben afgewezen.
De croissant naast me zucht. “Ze zeggen dat het nooit meer wordt zoals vroeger,” mompelt hij in zichzelf. Ik probeer hem niet te horen. Ik moet hoop houden. Ik ben knapperig, geurend en vol van belofte. Wie zou mij kunnen weerstaan?
Tien uur. Nog steeds stilte. Het licht dat door het raam valt, lijkt stoffig. Alsof de bakker zelf al weet dat het trekken van publiek niks meer wordt. De geur van versgebakken brood is er nog, maar hij heeft zijn magie verloren zonder publiek. Ik hoor het zachte tikken van de klok en het schelle geluid van een elektrische oven die afslaat. De bakker veegt zijn handen af aan zijn schort en kijkt naar buiten. Zijn blik is leeg, alsof hij het geroezemoes van vroeger zoekt, de lach van vaste klanten, het gefluister van buren die even kwamen praten, onder het genot van iemand zoals ik.
“Het is niet meer wat het was,” zegt hij zacht, meer tegen zichzelf dan tegen ons. Hij heeft het steeds moeilijker om zijn hoofd boven water te houden. Als een jong Turks meisje binnenloopt, weet ik waarom. In haar hand een klein plastic zakje met daarin vier croissantjes. Ze lijken veel op mijn buren, maar dan meer gepolijst. De bakker zucht bij het zien van het zakje van de concurrent. Supermarkten, heb ik gehoord. Ik voel een kruimel van medelijden in me groeien. Ik wil iets zeggen, maar ik ben slechts brood.
Twaalf uur. De dag sleept zich voort. Het geluid van soepborden die worden klaargemaakt in de keuken vult de lucht, maar zelfs dat brengt geen leven. Twee klanten, een man van middelbare leeftijd en zijn zoon, stappen binnen. Het belletje rinkelt aarzelend, alsof het zelf ook niet zeker is of het nog durft. Ze kopen een halfje volkoren. Niet mij.
Twee uur. Elke minuut voel ik mijn korst zachter worden. De warmte waarmee ik de oven verliet, is verdwenen. De bakker haalt diep adem en begint wat planken leeg te ruimen. “We sluiten vroeger vandaag,” zegt hij, terwijl hij dozen uit de opslag haalt. De enkele vaste klant die de bakker nog heeft, kijkt verbaasd omhoog, even weg van mij. “Toch niemand kunnen vinden?” Vraagt hij. De bakker reageert niet met woorden. Zijn teleurgestelde blik richting de andere kant van de balie, spreekt boekdelen. Net nadat de vaste klant zijn normale bestelling meeneemt, pakt de bakker me voorzichtig op. Hij bekijkt me met een blik die zowel spijt als verdriet bevat. “Zonde,” zegt hij. “Je had zo nuttig kunnen zijn.”
Hoe bedoel je ‘had’. Is het klaar voor mij? Is dit het? Hij stopt me in een doos, samen met alle achtergebleven broden. De lucht is koel en ruikt naar karton. Ik hoor het belletje voor de laatste keer rinkelen. De trilling van de fiets of kar waarop ik lig. Na een tijdje stopt het. Een rinkelloze nieuwe deur, een andere geur. Geen baklucht. Moedeloos kijk ik om mij heen. Dit is dus hoe het voelt om verslagen te zijn, om je doel niet gehaald te hebben.
Even later komen we aan op de plaats van bestemming. Mijn plastic jas is vervangen door een laag van ijzel. De kou bijt even, maar stoort niet. Waar ben ik? Is dit de plek die zo gevreesd werd? Ik luister goed door de muren heen. Ik weet niet wat ik hoor. Ik hoor geluiden die mij onbekend in de oren klinken. Zijn dat… mensen? Praten, lachen, plannen maken. Ik hoor het goed, het zijn mensen! Plotseling gaan de deuren open. Mijn ogen zijn nog niet gewend aan het licht. Mijn knijpende ogen nemen weinig waar, behalve een grote hand die mij vastpakt en meeneemt. Uit de kou.
Ik word op een bord gelegd, in dezelfde kamer als waar het geluid van de mensen vandaan kwam. Naast mij liggen andere broden en snacks. Om mij heen staan stoelen en tafels, die een andere sfeer brengen dan in de bakker. Lichtere kleur tafels, dichterbij elkaar. Hier, in het verbindingscentrum, is het de bedoeling dat je blijft, niet even langskomt. Aan de tafel zitten mensen die met smacht richting hetgeen kijken wat hen is voorgeschoven.
“Is dit die plek die gevreesd werd?” Hoor ik een bekende stem zeggen. Dezelfde croissantjes vanuit de bakker, liggen nu opnieuw naast me. Diezelfde warme hand van net pakt mij op en begint mij te beleggen. De in stukjes gesneden worst kietelt mijn vezels. Ik betrap mezelf op een glimlach. Het croissantje ziet dit ook. “Dat heb ik nog nooit zien doen!” Ik denk na, en kan mij vinden in zijn woorden. Ons werd altijd verteld dat verbinden in de bakkerij ons grote doel was. Maar is het zo erg dat het verbinden meerdere plekken kent?

Recente reacties