Van Kwispelveld naar Croissanterie: Hoe Rio de deuren opende voor gesprekken die verder gaan dan de hondenriem

Het gras glimt van de dauw wanneer ik het Kwispelveld oploop. Rio, de jonge, veel te energieke Welsh Corgi van mijn ouders, trekt meteen aan de lijn alsof hij hier al uren op wacht. De lucht prikt een beetje in mijn neus. Je weet wel, dat typische mengsel van nat gras, aarde en hond dat alleen op vroege ochtenden bestaat.

De vaste groep staat weer bij het hek. Acht mensen. De vrouw met de kartonnen koffiebeker warmt haar handen eraan, de man met de rode jas roept alweer “Bruno, hier!” alsof het ooit werkt, en de vrouw met de Labradoodle kijkt steeds op haar horloge. Ze moeten allemaal naar wéér iets anders, naar werk, naar kinderen, naar verplichtingen waar ik niets van weet. Toch is dit ons dagelijkse ritueel. We knikken, we groeten, we wisselen twee zinnen over het weer uit. Het voelt vertrouwd zonder dat het écht dichtbij komt.

Ik adem diep in. Het is rustig hier, soms té rustig. Doordeweeks woon ik in Den Helder, waar ik als marien bioloog werk. Daar draait alles om monsters, microscopen en organismen die je alleen ziet als je je oog bijna tegen het glas drukt. Stilte is daar vanzelfsprekend. Contact niet.
Misschien is dat waarom ik het veld zo mis wanneer ik doordeweeks weg ben: zelfs dit minimale, vrijblijvende contact voelt als iets dat ik nergens anders heb.

Ik zak naar de grond om Rio’s drol op te rapen. De warmte van het zakje trekt meteen door mijn handschoen heen. Een onprettige, maar merkwaardig geruststellende realiteit. Iets dat wél tastbaar is, dat niets met rapporten of meetgegevens te maken heeft. Terwijl de anderen praten over brokken en riemen, vraag ik me af waarom gesprekken hier nooit verder komen dan de honden. En waarom dat me steeds meer begint te storen.

Een paar maanden geleden, op een druilerige avond in Den Helder, zocht ik afleiding. Zoals altijd begon ik te bakken. Croissants, deze keer. De geur vulde de keuken warm en zwaar; een geur die me terugbracht naar vakanties, naar eenvoud, naar thuis.
Daar, tussen meel en roomboter, kwam een gedachte op die ik al jaren had weggeduwd: ík wilde iets bouwen dat van mij was. Iets dat mensen bij elkaar kon brengen, al was het maar heel even.

In de maanden daarna schreef ik me in bij de Kamer van Koophandel, volgde cursussen in de weekenden en testte recepten tot diep in de nacht wanneer de microscopen in de kast waren verdwenen. Een half jaar later opende ik BONJOUR! in het hart van Deventer.
Aan de muur hangt een schilderij dat ik zelf maakte: Rio met een bakkershoedje, tussen de croissants. Een knipoog naar waar het begonnen was, en misschien ook een manier om hem dichtbij te houden op de dagen dat hij dat niet is.

Rio voor zijn schilderij.

Sinds de opening merk ik iets op dat me verrast. Mensen blijven staan. Ze praten. Niet alleen over honden, maar over werk, zorgen, plannen. Opeens lijken de contouren van levens tevoorschijn te komen die op het veld altijd verborgen bleven. In de bakkerij hangt een soort ‘reuring’ die ik niet kende. Een constante stroom van gerinkel van de deur die open en dicht slaat, het sissen van de melkopschuimer en het zachte geroezemoes tussen klanten die geen keuze kunnen maken tussen de verschillende croissants.

Hoewel het een bescheiden winkeltje is, waar nooit meer dan drie verschillende klanten tegelijk binnen zijn, valt me iets op. Klanten wachten niet ongeduldig op hun bestelling, maar gebruiken de tijd om een praatje te maken met andere klanten. De barrière van de anonimiteit brokkelt hier langzaam af, laagje voor laagje, zoals mijn croissants tijdens het eten. Terwijl ik bestellingen inpak, vang ik flarden op over het goede voetbal van ‘kowet’ en gedeelde frustraties over de wegafsluiting bij Schalkhaar. Het is alsof de bakkerij een neutraal terrein is geworden waar de vluchtigheid van de stad even tot stilstand komt en plaatsmaakt voor oprechte nieuwsgierigheid naar de ander.

En dan, op een ochtend, gebeurt het: een van de mannen van het veld stapt op me af.
“Ben jij niet die jongen van die nieuwe croissanterie?” Ik knik. “Mijn vrouw had er iets gehaald,” zegt hij. “Ze vond die pizzacroissant verrassend goed.” Hij lacht, kort maar warm, alsof we elkaar al jaren kennen. Iets verschuift in mij, misschien omdat hij me nu wél ziet. Omdat ik iets heb gedeeld dat verder gaat dan een hondenriem.

Later die week staan dezelfde mensen bij mijn toonbank. Ze herkennen mij. Ze blijven langer dan nodig. Iemand wijst naar het schilderij van Rio. “Hij hoort er ook bij,” zeg ik zonder erbij na te denken, en voor het eerst voelt dat helemaal waar.

Misschien is dát sociale cohesie. Niet een groot buurtproject, geen campagne, geen beleidsplan. Maar een handeling van iemand die zegt: ik ben er, kijk maar.
Het Kwispelveld gaf me rust. De bakkerij gaf me mensen. En voor het eerst in lange tijd voelt het alsof die twee werelden voorzichtig naar elkaar toe groeien. Alsof mijn leven zich eindelijk op één plek durft te verzamelen.

Aan het eind van de dag sluit ik de zaak. Buiten klinkt in de verte geblaf. De lucht ruikt naar boter en regen. Ik kijk nog één keer naar het schilderij aan de muur.
Misschien, denk ik, begint thuis gewoon met iets dat je deelt.