In de handen van Allah

Tekst: Daniëlle Pathuis

Het is vijf uur ’s ochtends. Hard gebonk klinkt vanaf de voordeur. De vrouw en kinderen van Yakub springen verschrikt op. Er wordt geschreeuwd dat Yakub mee moet komen, hij heeft zich uitgesproken tegen de regie van Erdoğan en dat wordt niet hartelijk ontvangen. Gelukkig is hij op dat moment niet thuis; hij is aan het werk in het ziekenhuis, maar voor hem en zijn familie is het duidelijk: wij moeten hier weg. Hier kunnen wij niet leven.

Mijn zoon klemt zich vast aan mijn arm. Zijn wenkbrauwen zijn gefronst en zijn ogen wijd met angst. Ik houd mijn gezicht stijf, en met een rustige stem probeer ik mijn zoon uit te leggen dat hij niet bang hoeft te zijn, maar ondertussen trillen mijn handen. Overal op het vliegveld lopen de mannen in uniform rond en zo rustig mogelijk lopen we langs de Turkse politie. Het voelt alsof het eeuwen duurt voordat we bij de hoge trap aankomen. De benzineslang wordt net uit het vliegtuig gehaald terwijl wij de klim maken. Ik grijp mij stevig vast aan de trapleuning wanneer een harde windvlaag er bijna voor zorgt dat ik de volgende trede mis. De warmte binnen is een groot contrast met de kou buiten en even loopt er een rilling over mijn rug. Mijn blik scant gelijk de vele rijen stoelen, zoekend naar de juiste plaatsen. Ik hoor mijn vrouw een diepe zucht slaken naast mij en zachtjes wrijf ik over haar schouder. Na eindeloos opnieuw proberen staan we hier dan toch, op de rand van een nieuw hoofdstuk.

Na een reis van bijna zeven uur komen we aan in Griekenland, waar we overstappen op onze volgende vlucht naar Brussel. “Bir şey yemek ister misin?” Klinkt achter ons in het vliegtuig. Mijn vrouw kijkt mij aan en een nerveus lachje ontsnapt mijn mond. Het voelt alsof we in het verkeerde vliegtuig zitten, terug naar Turkije.

De reis is lang, en vermoeid komen we aan bij Brussels Airport, waar we de eerste de beste taxi pakken. De chauffeur kijkt ons vragend aan. In het Engels probeer ik duidelijk te maken dat we bij het treinstation moeten komen. Hij knikt kalmpjes en met zijn hulp leggen we onze bagage in de kofferbak voordat we onszelf in de taxi schuiven. Onderweg dwaalt mijn blik over de wereld buiten. Stilletjes bewonder ik de gigantische, oude gebouwen die alsmaar blijven opdoemen aan de horizon. Het is zo anders dan Turkije. Een steek van verdriet schiet door mij heen. Ik vestig mijn blik weer op de binnenkant van de auto. De zachte gloed van het maanlicht schijnt zachtjes de taxi in en verlicht de gezichten van mijn gezin. Mijn jongste zoon leunt uitgeput tegen mij aan, maar zijn ogen staan scherp. Te vol met emoties om te slapen.

Als we aankomen bij het treinstation bedank ik de taxichauffeur vriendelijk. Het geluid van onze koffers die over de tegels rollen, echoot tussen de muren van het stille station. Een beetje verward proberen we alle Belgische termen op de kaartautomaat uit te vogelen. Nederland, Nederland, Nederland…. Ah, daar! Een luide piep klinkt uit het pinapparaat en vier treinkaartjes rollen uit de printer. De trein staat al langs het perron, wachtend op ons. Snel trekken we onze koffers mee en ik zeg tegen mijn zoons dat ze een plekje bij het raam uit moeten zoeken. Terwijl zij gaan zitten til ik de koffers in de bagagestalling boven ons hoofd. Om mij heen hoor ik de mensen een taal spreken die ik niet ken, en het raakt mij dat we in een vreemd land zijn, weg van ons hele leven. Weg van ons thuis. Terneergeslagen zak ik naast mijn vrouw op een stoel. Ze legt haar hand op mijn arm en knijpt zachtjes als een teken dat ze het snapt, zonder dat ik iets hoef te zeggen. De trein begint te rijden en het landschap vervaagt.

‘The last stop: Brussels Airport.’ Een schelle, vrouwelijke stem galmt door de speakers in de trein en verward kijk ik mijn vrouw aan. Brussels Airport? Ik trek snel alle koffers weer uit de bagageruimte en beduusd stappen we de trein uit. Inderdaad, ‘Brussels Airport’ staat in grote letters op een bord. Schuin tegenover ons staat een medewerker op het station. Ik stap op haar af met mijn gezin vlak achter mij. Een beetje onzeker leg ik de situatie uit en ze begint te lachen. Ze legt uit dat de taxi ons af heeft gezet bij een station in de buurt en dat we de trein hadden moeten pakken die de andere kant op ging. Ik voel iemand op mijn arm tikken en ik draai mij om. Mijn oudste zoon kijkt mij aan met een afwachtende blik en vraagt wat er zo grappig is. Wanneer ik ze uitleg wat er gebeurt is beginnen ook mijn beide zoon te lachen. Mijn vrouw zucht en schud haar hoofd maar een kleine glimlach verschijnt op haar gezicht. Ik draai mij weer terug om naar de medewerker en bedank haar vriendelijk, waarna ze nog even uitlegt bij welk perron we moeten zijn. Na een kop koffie gehaald te hebben, en voor mijn zoons chocolademelk, zitten we al snel weer in de trein. Dit keer de juiste.

Mijn zoon klemt zich vast aan mijn arm. Zijn wenkbrauwen zijn gefronst en zijn ogen wijd met angst. Mijn gezicht draagt een glimlach en met een rustige stem probeer ik mijn zoon uit te leggen dat hij niet bang hoeft te zijn, terwijl er vanbinnen een rust over mij heen daalt. Overal lopen de mannen in uniform. Ik neem diep adem en stap op een politieagent af. Hij merkt mij op en met zijn blauwe ogen kijkt hij mij nieuwsgierig aan. Zijn donkerblonde haren zitten netjes achterover gekamd vergeleken met de mijne die, voor mijn gevoel, alle kanten uitsteken. Ik leg hem zo goed mogelijk in het Engels uit dat wij zijn gevlucht en dat we hulp nodig hebben. We hebben immers nog geen plek om te verblijven. De politieagent is begripvol en zegt dat hij een belletje moet plegen. Het voelt alsof er een gewicht van mijn schouders valt, en ik trek mijn vrouw dicht naar mij toe.

Al snel staan we in de lobby van een hotel. Met een vriendelijke stem legt de receptioniste uit dat wij, door corona, niet met zijn allen op één hotelkamer mogen slapen, dus worden we in tweeën gesplitst. Desondanks begin ik te lachen waardoor mijn vrouw mij een verwarde, maar geamuseerde blik schiet. Het voelt ironisch in onze situatie. We lopen achter een hotelmedewerker aan die ons leidt naar onze kamers. Mijn vrouw en jongste zoon stoppen bij de eerste kamer en ik en mijn oudste zoon volgen de medewerker naar de volgende. De vermoeidheid overspoelt mij wanneer ik het bed zie. Die nacht slapen we heerlijk.

De eerste periode in Nederland is moeilijk voor ons. We spreken de taal niet en we worden verplaatst van azc naar azc. We verblijven in tenten, met teveel personen, en ontmoeten veel Turkse mensen die net als wij gevlucht zijn. Daarna zitten we met vier volwassenen en vijf jongens rond dezelfde leeftijd in een klein huis, maar we vermaken ons. Mijn zoons kunnen goed opschieten met de andere kinderen en de vrouwen koken elke avond gezellig samen. Er is geen school aanwezig, maar dat vinden de kinderen niet erg; ze voetballen en spelen spelletjes.

Dan krijgen we nieuws: er is een woning beschikbaar voor ons. De blijdschap is wel degelijk aanwezig, maar het gaat ook gepaard met veel verdriet. Voor de zoveelste keer moeten we mensen die dichtbij ons staan achterlaten. Het voelt bitterzoet. We pakken onze spullen in en worden meegenomen naar onze nieuwe woning; een knus rijtjeshuis in een rustig gedeelte van Hattem. Het voelt als het begin van een nieuwe start. Een plek om ons leven weer op te bouwen.

We richten ons huis in met vrolijke kleuren en traditionele Turkse versiering; warme en diepe tinten rood en aardekleuren op de muren, rijke vloerkleden, keramiek en zilveren tinten, om toch een beetje ons thuisland te creëren hier. We leren Nederlands via films op Disney+ en de taalklassen in de bibliotheek in Hattem. Mijn zoons pakken de taal snel op en beginnen aan hun eerste jaar school in Nederland. Het gaat ze goed af, al ervaren ze ook lastige momenten: discriminatie speelt een grote rol bij mijn oudste zoon, maar hij is een doorzetter. Een aantal jaar na onze aankomst verrast mijn vrouw mij met het blijde nieuws dat wij ons derde kindje mogen verwachten, en alles valt weer op zijn plek voor mij. Turkije is mijn huis, maar waar mijn gezin is, is mijn thuis.

Ik zit op mijn gebedskleed in de moskee in Zwolle, en ik dank Allah voor alles wat hij ons gegeven heeft. Ons leven ligt in zijn handen. Zijn plan volgen we, en zijn plan is duidelijk: wij mogen veilig zijn.