Het verhaal van Gerben Eilander
Kleurrijk tussen steden
Door: Just Hassink
Op een druk schoolplein in Hattem ergens in de jaren 80, tekent Gerben zijn eigen wereld. Terwijl in een hoek jongens fanatiek staan te voetballen, kiest hij bewust een andere route. Hij huppelt, kijkt, praat met anderen, hij is altijd in beweging, maar nooit met de stroom mee. Gerben is een andere jongen dan andere jongens in de klas. Door zijn bijzondere aanwezigheid valt hij op, zonder dat hij daardoor ook maar een beetje zijn best voor doet.
Gerben brengt veel tijd door met meiden uit zijn klas. Ze kletsen, lachen en spelen spelletjes, typische dingen die meisjes graag samendoen, en Gerben voelt zich daar altijd op zijn gemak. Tegelijkertijd raakt hij ook goed bevriend met een jongen uit zijn klas. Met hem kan hij praten over alles, maar ze spelen ook graag samen en hebben veel plezier. Gerben trekt veel met hem op en begint hem echt te zien als een goede vriend. Toch voelt hij soms iets bijzonders, een vreemd gerommel in zijn buik, alsof er vlinders rondfladderen. Het is een gevoel dat hij niet goed kan plaatsen. Als jongen hoor je dit toch alleen te voelen bij meisjes? Gerben probeert het gevoel te negeren en blijft bevriend met hem, maar het laat hem beseffen dat hij op een manier anders is dan anderen. Zijn basisschooltijd is gelukkig en zorgeloos. Op een kinderfeestje trekt Gerben een roze grote jurk aan en begint te zingen en te dansen. Niemand kijkt vreemd of moeilijk; iedereen doet gezellig mee. In deze jaren kan Gerben helemaal zichzelf zijn, vrij en blij. Pas later, na de middelbare school, verandert dat.
Onzekere periode
Als Gerben 12 is gaat hij naar de middelbare school. Plotseling moet hij naar school in de grote stad Zwolle, en alles voelt gelijk anders. Op de middelbare school merkt hij nog meer dat hij anders is en dat merken zijn klasgenoten ook. In de gang hoort hij vaak stemmen achter zich:
‘’Hé mietje!’’ of ‘’Hé rare jongen!’’
Elke keer voelt als een stomp in zijn maag. Het versterkt het gevoel dat hij anders is en dat hij zijn ware zelf nog maar even moet verbergen. Maar Gerben laat zich niet zomaar klein krijgen. Hij is het geroep helemaal zat, en hij weigert nog langer alles te slikken. Op een doordeweekse dag loopt hij samen met zijn broertje terug van het zwembad. De chloorlucht hangt nog in hun haren terwijl ze over straat terug naar huis lopen wanneer er ineens een meisje begint te roepen.
‘’Hé gekke jongen, vies mietje dat je er bent.’’
Met grote strenge passen loopt hij naar het meisje toe. Gerben gloeit vanbinnen alsof de pan zal overkoken. Ineens staat hij oog in oog met haar. Gerben kijkt in haar gemeenlijkende groene ogen. Vlak voordat hij zijn mond open doet voelt hij een stomp in zijn gezicht. Gerben duikt in elkaar. Hij houdt zijn handen voor zijn gezicht om zijn tranen te verbergen. Het meisje loopt giebelend weg en Gerben zit machteloos op de grond. ‘Gelukkig’ gebeurde dit voor de huisarts, dus ze lopen snel naar binnen en daar wordt gecontroleerd of er niks ernstigs is met Gerben. Gelukkig is dat niet het geval, maar de schrik zit er goed in bij Gerben. Dit voorval drukt Gerben nog dieper in de kast. Hij verbergt zijn gevoelens en wie hij werkelijk is, jarenlang, tot hij uiteindelijk op zijn eenentwintigste eindelijk de moed vindt om uit de kast te komen bij zijn ouders.
Uit de kast komen
Het is een donderdagavond 1996 in een knus huis in Hattem. Gerben zit ziek op de bank, de tv staat zacht aan, terwijl de buitenwereld zich stilhoudt. Op tv is een show van Catherine Keyl te zien. Twee jongens zijn te gast; ze zaten ooit in de kerk, maar moesten vanwege hun seksualiteit de kerk verlaten. Het gesprek is hard en onvriendelijk; homo’s worden nauwelijks positief besproken. Gerbens moeder schuift naast hem op de bank en kijkt mee. Gerben voelt een ongemakkelijk gevoel in hem. Nog voor hij kan bijkomen, schakelt de tv naar Oprah Winfrey, en daar gaat het ook weer over homo’s. Hij wil het liefst in de bank wegzakken en verdwijnen. De uitzendingen laten hem dagenlang met een rotgevoel rondlopen. Hij voelt dat hij aan iemand moet vertellen dat hij op jongens valt. Een paar dagen later vraagt zijn moeder wat er toch met hem aan de hand is. Gerben breekt en begint hard te huilen. Zijn moeder trekt hem dicht tegen hem aan en geeft hem een dikke knuffel. Met trillende stem biecht hij op dat hij op jongens valt. Haar reactie is rustig en normaal, vol liefde en begrip. Daarna komt zijn vader thuis en hij snapt niet wat er aan de hand is.
‘’Gerben valt op jongens schat, wat leuk hè’’, zegt de moeder van Gerben enthousiast. Zijn vader loopt even weg, maar komt al snel weer terug. Hij zegt dan het volgende: ‘’Je bent mijn kind en ik houd ontzettend veel van je. Het belangrijkste is dat jij gelukkig bent.’’
Gerben voelt een enorme opluchting. De steun van zijn ouders geeft hem een gevoel van acceptatie en veiligheid dat hij nooit eerder zo heeft gevoeld.
Jaren later ontmoet Gerben zijn eerste echte vriend. Ze hebben een lange, gelukkige relatie in Hattem, maar als het uitgaat, voelt Gerben dat Hattem niet meer zijn stad is. Hij neemt een drastische beslissing en verhuist naar Amsterdam.
Naar Amsterdam
Als klein kind liep Gerben vol bewondering de grote stad van Amsterdam in. Hij hield de grote gebouwen, drukte en lichtjes in zich op, zijn ogen waren groot van bewondering. Zijn oom woonde daar en Gerben wist zeker dat hij daar later ook wilde wonen. Het voelde als een plek vol mogelijkheden, een plek waar alles kon gebeuren.
En dan jaren later staat Gerben ineens midden in die grote stad, de stad waar hij als kind zo van droomde. Fietsbellen rinkelen om hem heen, toeristen dringen zich door de straten, en hij voelt zich zowel klein als groot tegelijk. In deze stad gaat hij zijn nieuwe leven opbouwen en echt een nieuwe Gerben worden, maar na een tijdje komt hij er toch ook achter dat Amsterdam ook geen sprookje is. Iedereen lijkt in zijn eigen bubbel te leven, heeft zijn eigen kroegje, zijn eigen groepje en eigen ritme. Gerben besluit in Amsterdam ook de wereld van dating apps te verkennen. ‘’Ik plaats een foto en dan zullen de berichten wel binnenstromen’’, zegt Gerben nog tegen vrienden. Maar de werkelijkheid is totaal anders. Zijn inbox blijft verrassend stil, en hij merkt zelfs in een stad vol homo’s, dat connecties maken niet vanzelf gaat. Toch brengt de hoofdstad ook veel mooie momenten. Hij vindt zijn passie en performance voor theater weer terug. Hier ontstaat ook zijn alter ego, Carry Sleehak, een personage dat hem vrijheid geeft en waarin hij alles kan uiten wat hij altijd al wilde zijn. Buiten het theater vindt hij vrienden: mensen die hem begrijpen. Zo zegt hij tegen zijn vrienden; ‘’In Amsterdam ben ik vaak tegen mezelf aangelopen. Maar ik ben hier ook echt een grote jongen geworden.’’ Soms speelt bij Gerben wel het idee om terug te keren naar Hattem. Maar het voelt voor hem nog niet als een stap vooruit in zijn leven, want wat heeft hij daar nu te zoeken? Voor nu is Amsterdam zijn stad.
Toch wel terug naar Hattem
Gerben zit op een rustige zondagmiddag aan zijn kleine eettafel in Amsterdam, een kop thee in zijn handen, wanneer de telefoon overgaat. Het is zijn moeder. Haar stem klinkt opgewekt, een beetje te opgewekt bijna.
‘’Gerben je gelooft nooit wat ik gister zag’’, zegt ze. ‘’Bij het gemeentehuis in Hattem… hing een regenboogvlag.’’
Gerben verstijft even. Hij ziet het gemeentehuis in Hattem voor zich: de trap, de stenen en de ingang. En dat kleurrijke symbool, precies daar, op een plek waar hij het nooit had verwacht.
‘’Echt waar?’’ vraagt hij, bijna fluisterend.
‘’Ja jongen, echt waar. Hattem verandert. En dat vind ik mooi.’’
Diezelfde avond belt hij een vriend uit Hattem.
‘’Het is waar hoor’’, zegt zijn vriend. ‘’Hattem is niet meer hetzelfde. Misschien zou jij je hier nu weer echt thuis voelen.’’
Het zaadje is geplant. Hoe meer Gerben het idee probeert te negeren, hoe sterker het zich in hem vastzet. De stad waar hij ooit wegrende lijkt nu voorzichtig naar hem terug te zwaaien. Een paar maanden later verhuist Gerben dan definitief naar Hattem. Hij staat ineens weer op het marktplein in Hattem, hij kijkt om zich heen en de herinneringen komen weer naar boven, vooral de mooie herinneringen. Hij voelt geen ogen meer die hem in een hokje proberen te duwen. Al snel merkt Gerben dat Hattem hem niet meer langer vasthoudt aan wie hij vroeger was. De stad lijkt hem zelf uit te nodigen om opnieuw te beginnen. Als de gemeente hem benadert met de vraag of hij wil meedenken over meer zichtbaarheid voor diversiteit, voelt als het laatste zetje. In oktober 2024 breekt de eerste editie van de ‘Kleurrijk-jezelf-zijn-week’ aan. In deze week zijn er verschillende activiteiten over diversiteit. Bij een activiteit vertelt Gerben: ‘’Vroeger had ik zo graag gewild dat iemand me vertelde dat ik er mocht zijn. En nu gebeurt dat hier in Hattem.’’ Gerben moet slikken, maar dit keer niet van verdriet.
Anno 2025 loopt Gerben door de straten van Hattem, waar hij ooit bang was gezien te worden. Nu groet hij mensen die hem kennen, die hem waarderen en die hem zien. Hij voelt de warmte van een gemeenschap die gegroeid is, net zoals hijzelf. Amsterdam heeft hem groot gemaakt, maar Hattem voelt weer als thuis. En terwijl hij zijn voordeur opendoet, het zachte klikje dat thuiskomen markeert, weet hij het zeker: Hij is eindelijk precies waar hij moet zijn.

Recente reacties